wandelen is een vaardigheid die gekenmerkt wordt door een periode van dubbele steun waarbij beide voeten contact maken met de grond.
lopen is een vaardigheid die gekenmerkt wordt door een zweeffase waarbij beide voeten gelijktijdig een moment van de grond zijn.
sluipen is een vaardigheid waarbij men zich in buiklig horizontaal voortbeweegt en waarbij het volledige lichaam steeds contact houdt met de grond.
kruipen is een vaardigheid waarbij men zich op handen, voeten en knieën horizontaal voortbeweegt.
klauteren is een vaardigheid waarbij men zich op handen, voeten en knieën schuin opwaarts voortbeweegt.
klimmen is een vaardigheid waarbij men zich op handen, voeten verticaal voortbeweegt.
hangen is een vaardigheid waarbij men zich met het lichaam of lichaamsdeel aan een toestel houdt, waarbij het toestel het lichaamsgewicht deels of volledig draagt, al dan niet zonder de grond te raken.
slingeren is een vaardigheid waarbij men met het lichaam of een lichaamsdeel, al dan niet met behulp van een toestel, een heen- en weergaande beweging maakt en waarbij het toestel deze beweging niet ondersteunt.
schommelen is een vaardigheid waarbij men met behulp van een toestel, een heen- en weergaande beweging maakt en waarbij het toestel deze beweging niet ondersteunt. waarbij men met behulp van een toestel, een heen- en weergaande beweging maakt en waarbij het toestel deze beweging ondersteunt.
is een vaardigheid waarbij het lichaam of een lichaamsdeel draait (wijzerszin of tegenwijzerszin) rond de lengteas, breedteas of diepteas.
is een vaardigheid waarbij het lichaam of een lichaamsdeel, al dan niet in direct contact met de ondergrond, zich met of zonder hulpmiddel verplaatst of wordt verplaatst.
is een vaardigheid, die wordt gekenmerkt door een afstoot, een zweeffase en een landing, al dan niet voorafgegaan door een aanloop. Springen wordt opgedeeld in steunspringen (handen als steun gebruiken), ondersteund springen (met hulp) en vrij springen.